Wetenschappelijk is de discussie allang gesloten: dieren voelen pijn, hebben emoties en kennen angst. Geen enkele serieuze wetenschapper of dierenliefhebber twijfelt daar nog aan. En toch stellen we maatschappelijk gezien nog steeds de verkeerde vragen, alsof er nog iets te bewijzen valt.
De werkelijkheid is dat wij allang weten dat dieren kunnen lijden, maar desondanks accepteren dat hun bescherming volledig afhankelijk blijft van de plaats waar zij geboren worden.
Een hond in het ene land wordt beschermd door uitgebreide wetgeving. In een ander land leeft hij op straat. Elders kan hij worden mishandeld zonder noemenswaardige gevolgen voor de dader. Zijn vermogen om pijn te voelen verandert niet wanneer hij een grens oversteekt. Alleen de wet verandert.
Dat roept een ongemakkelijke vraag op: als de wetenschap ons heeft overtuigd, waarom volgt het recht dan niet?
Voor handel, transport, financiële systemen en talloze andere onderwerpen hebben staten internationale afspraken gemaakt. Wanneer economische belangen op het spel staan, blijken wereldwijde regels mogelijk. Wanneer het gaat om het voorkomen van dierenleed, lijkt plotseling alles ingewikkeld te worden.
Vaak horen we dat samenlevingen nog niet klaar zijn voor verandering. Maar wetten worden zelden ingevoerd omdat iedereen er al klaar voor is. Wetgeving heeft juist vaak de taak om een maatschappelijke norm vast te leggen en richting te geven aan toekomstige ontwikkelingen. Bovendien blijft een dier in veel rechtsstelsels in de eerste plaats eigendom. Maar eigendom is een juridische constructie, geen natuurwet. Het feit dat iets wettelijk als eigendom wordt beschouwd, betekent niet dat iedere handeling ermee moreel of maatschappelijk aanvaardbaar is.
Wetten zijn door mensen gemaakt. En wat door mensen is gemaakt, kan door mensen worden veranderd.
Natuurlijk is een wereldwijd verdrag voor álle dieren complex. Maar complexiteit mag geen excuus zijn voor totale stilstand. Waarom beginnen we niet simpelweg bij de dieren die het dichtst bij ons staan? Waarom beginnen we niet met honden en katten?
Direct zal de tegenwerping klinken dat culturen verschillen. Dat in sommige landen honden en katten niet als gezinslid worden gezien, maar als voedsel of plaag. Maar cultuur of traditie mag nooit een vrijbrief zijn voor wreedheid. Het recht op bescherming tegen mishandeling en een gruwelijke dood is universeel.
Juist door met gezelschapsdieren te beginnen, nemen we de economische bezwaren van de westerse bio-industrie weg en leggen we de juridische blauwdruk neer voor wereldwijde verandering. Als we daar beginnen, trekken we een harde, internationale ondergrens.
Daarom is de vraag niet of er nog meer studies, discussies of conferenties nodig zijn. De vraag is waarom er nog steeds geen bindende internationale minimumnormen bestaan die elk gezelschapsdier beschermen tegen mishandeling, verwaarlozing, honger, gebrek aan medische zorg en onnodig doden.
Misschien ontbreekt het niet aan kennis.
Misschien ontbreekt het aan politieke wil.
En zolang die wil ontbreekt, betalen dieren de prijs.